Een inkijk in het documentairedebat

Versies van waarheid. Het debat rond de status van de documentairefilm van 1980 tot heden.

Aan het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw was er vanuit het veld van de geesteswetenschappen een nieuw kritisch geluid te horen ten aanzien van de heersende overtuiging dat er zoiets mogelijk was als absolute waarheid en kennis. Deze nieuwe poststructuralistische periode was er een van veel scepsis, twijfel en relativisme en had gevolgen voor de wijze waarop de documentairefilm, die altijd nauw verbonden was met een wetenschappelijk discours van objectiviteit en kennis, zich zou manifesteren (en vanuit theoretisch oogpunt zou kunnen manifesteren).

In deze scriptie wordt aan de hand van een corpus documentairetheoretici onderzocht hoe het hedendaagse debat rond de documentairefilm eruit ziet omtrent de relatie van documentaire tot de werkelijkheid en tevens hoe twee eigentijdse genres, de dramadocumentaire en de autobiografische documentaire, zich verhouden tot dit debat. De belangrijkste denkers die de revue passeren zijn: Bill Nichols, Brian Winston, Michael Renov, Noël Carroll, Carl Plantinga en Stella Bruzzi. Aan de hand van hun belangrijkste theoretische bijdragen wordt op chronologische wijze de verandering in het denken over de documentairefilm in kaart gebracht. De centrale vraag luidt: waaruit bestaat de kernproblematiek van de documentairefilm volgens de theoretici en hoe verhoudt deze zich tot de categorie van de dramadocumentaire en de autobiografische documentaire?

De belangrijkste verschuiving die het denken over de documentairefilm heeft gemaakt, is gerelateerd aan Nichols opvatting over objectiviteit en fictionaliteit. Volgens Nichols kunnen documentairefilms nooit objectief zijn omdat zij altijd het gevolg zijn van een zeker perspectief op en selectieproces van elementen uit de werkelijkheid door de filmmaker. Tevens is het zo dat objectiviteit een absoluut perspectief moet kunnen behelzen en dit is nooit gewaarborgd omdat deze niet voor mensen benaderbaar is. Denkers als Carroll, Plantinga en Bruzzi (denkers van de laatste 15 jaar) beargumenteren dat deze visie van objectiviteit onhoudbaar is en tevens theoretisch onvruchtbaar. Wetenschappelijke protocollen stellen onderzoekers in staat om objectief onderzoek te kunnen doen. Tevens is het zo dat er nooit gedacht moet worden dat film en werkelijkheid met elkaar zouden kunnen samenvallen. Bruzzi stelt dat wanneer wij dit feit accepteren dat wij de documentairefilm bevrijden van een verstikkend stramien en het genre zich in een berde pluriformiteit kan manifesteren. De documentairefilm bevindt zich altijd op een zeker snijpunt tussen het maken van wetenschappelijke claims, die verbonden zijn aan de fotografische aard van het medium, en artisticiteit van de filmmaker (Renov). Het is deze ruimte die volgens de latere theoretici door de toeschouwers wordt begrepen en gewaardeerd. De kennis van filmconventies en de cues die de film geeft aan de toeschouwer is hierbij van cruciaal belang: hij of zij moet kunnen begrijpen dat de film een bewerende waarachtige representatie is (Plantinga).

Vanaf de jaren zeventig zijn er twee documentairegenres ontstaan die in de loop der tijdsteeds populairder zijn geworden, maar vanuit theoretisch opzicht problematisch zijn, namelijk de dramadocumentaire en de autobiografische documentaire. Beiden kunnen gedeeltelijk gezien worden als reacties op de uitgangspunten van de pure observerende stijl van de cinéma vérité-school uit de jaren zestig. De specifieke problematiek rond deze categorieën wordt beschreven, mede aan de hand van de documentaires THE THIN BLUE LINE (Errol Morris, 1988) en SHERMAN’S MARCH (Ross McElwee,1986). De stilistische grensvervaging tussen feit en fictie en het aspect van dramatisering is te legitimeren wanneer wij onderscheid maken tussen de werkelijkheid en onze uitspraken over de werkelijkheid, die waar of onwaar kunnen zijn. Op deze wijze kan de dramadocumentaire zich op een wetenschappelijke manier blijven manifesteren en is de aansluiting bij elementen van de fictiefilm vanuit dit oogpunt gelegitimeerd.

De autobiografische documentaire gaat in op de relatie tussen de filmmaker en de werkelijkheid (zowel zijn innerlijke leven als de uiterlijke wereld). Een kernprobleem dat hierbij ontstaat is de wijze waarop het aspect van performance zich verhoudt tot het concept van objectiviteit en hoe subjectiviteit zich manifesteert in de film. Het taalkundige onderscheid tussen het constaterende en het performatieve aspect van taal is hierbij een vruchtbaar middel voor onderzoek. Het performatieve aspect brengt zijn eigen werkelijkheid tot stand, kan alleen op zijn eigen merites beoordeeld worden en heeft niet zozeer de doelstelling om empirische uitspraken te doen. Omdat wij als toeschouwers allemaal een zelf en dus subjectiviteit bezitten, kunnen wij de subjectiviteit van de maker begrijpen.

Beide documentairecategorieën bestaan zo op hun eigen wijze in de ruimte tussen wetenschap en kunst, maar kunnen ons wel degelijk waardevolle informatie bieden over de werkelijkheid als bewerende waarachtige representatie. Zolang de wetenschappelijke protocollen van onderzoek worden gevolgd, kan de documentairefilm wetenschappelijk zijn. Tevens kan ervoor gekozen worden om op een meer subjectieve wijze de werkelijkheid vorm te geven in film. De mediageletterde toeschouwer van vandaag de dag zal beide vormen kunnen begrijpen.

PDF-file: Masterscriptie – Versies van waarheid – Y. Sepp

Over yourisepp

Filmrecensies, filmtheorie en meer...
Dit bericht werd geplaatst in Papers en scripties en getagged met , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s